vrijdag 9 april 2010

Ontslaggolf na aardbeving

Een heel klein berichtje in de Volkskrant vorige week: "Vakbonden in Chili hebben alarm geslagen vanwege het toenemende aantal gedwongen ontslagen. In maart zijn in de regio's die het hardst zijn getroffen bij de zware aardbeving van 27 februari ruim 6.000 arbeiders ontslagen. Bedrijven passen voor de congés artikel 159 van de Arbeidswet toe. Dit staat ontslag toe op basis van overmacht waardoor bedrijven geen compensatie betalen."

Sinds ik de Shockdoctrine heb gelezen weet ik dat Chili één van de eerste (en heftigste) landen was die shocks 'gebruikte' voor de invoering van allerlei marktmechanismen. Niet dat ik zeker weet dat dit nu weer het geval is. Maar ineens heb je toch een hele andere blik op dit soort berichtjes...

maandag 29 maart 2010

Zud in Mongolie

De winter was niet alleen in Nederland streng, in Mongolië zijn door de strenge winter al miljoenen dieren omgekomen. Een ramp voor veel nomaden want als je geen dieren meer hebt, heb je niets meer. Het einde is vast nog niet in zicht, toen ik in Mongolië was werd het pas tegen half mei een beetje groen. De kans is groot dat de zud (lange, strenge winter met veel sneeuw) nog meer armoede veroorzaakt. Nomaden zijn dan gedwongen om naar de stad te trekken en komen daar in de ger-gebieden (een soort sloppenwijken maar dan met tenten) terecht. Ook geen geweldig vooruitzicht.

donderdag 25 maart 2010

Forbes top 500 armste mensen

Van GeenCommentaar: "Zakenblad Forbes heeft zijn nieuwe jaarlijkse lijst van armste aardbewoners gepubliceerd. Na de recente lijst met rijkste bewoners, waar de Mexicaanse mediamagnaat Slim verrassend bovenaan eindigde, was het volgens de redactie tijd voor ‘de andere kant van het spectrum’. Op de lijst prijken 371 Sub-Saharaanse Afrikanen, 54 Oostaziaten, 72 Haïtianen, 2 dakloze Russen en een verwarde Belg. Op basis van ‘zorgvuldig en grondig onderzoek en heldere criteria’ is de lijst samengesteld, die volgens het tijdschrift ‘een representatief beeld van armoede schetsen’. Dat bleek dit jaar met de mondiale gebeurtenissen geen sinecure, aldus Steve Forbes, hoofdredacteur van Forbes magazine.

“Het blijft natuurlijk appels met peren vergelijken. Het prijspeil in Haïti is het afgelopen jaar ruim onder dat van Guinee-Bissau gedaald. Met 4 cent kun je in een vluchtelingenkamp in Malawi alleen een bordje rijst krijgen, terwijl je er in Mongolië al een jakhalskoteletje kunt kopen. Dat maakt het journalistiek gezien moeilijk, maar ook uitdagend.” Doordat de prijs alleen aan volwassen kan worden uitgekeerd gaat hij dit jaar aan vele kinderen voorbij. Pho Nuk (7) uit Noord-Korea heeft er wel begrip voor. “Op zo’n jonge leeftijd blijft bezit lastig te definiëren. Ik heb niets, en mijn familie ook niet. Maar bij veel westerse gezinnen is de tv en de computer ook eigenlijk gewoon van papa en mama. Dus wat dat betreft bezitten we allemaal weinig. Ik hoop in elk geval dat ik over 11 jaar als volwaardig lid kan meedoen.”

De nummer 1 is Kwame Mpufu uit Nyala, Darfur. Hij had al geruime tijd net als vele landgenoten vrijwel geen materieel bezit, maar toen hij vorige week ook zijn familie verloor kaapte hij de titel voor de neus van enkele landgenoten weg. Mpufu heeft het afgelopen jaar geleefd van een paar kilo rijst, geweld in van cholerabacteriën vergeven water uit een tien kilometer verderop gelegen put. Lees verder

donderdag 18 maart 2010

De Shockdoctrine

Een boek dat al heel lang op mijn nog-lezen-lijstje stond is de Shockdoctrine van Naomi Klein. Het wordt ook wel de geheime geschiedenis van het vrije markt kapitalisme genoemd en is eigenlijk een must-read voor iedereen die iets probeert te snappen van hoe de wereld werkt. Hoewel het soms wat kort door de bocht is vallen voor mij toch wel veel puzzelstukjes op hun plaats, bijvoorbeeld van wat ik in Mongolië heb gezien. Ook daar was men gedwongen om hun markt in no time open te stellen en een veel vrijere markt te creëren dan Europa of Amerika ooit zal hebben.

Het belangrijkste idee van de shockdoctrine is dat shocks (of een crisis, zoals 9/11 of de aardbeving op Haïti) worden gebruikt om radicaal beleid er ineens door te duwen, op het moment dat mensen eigenlijk nog 'in shock' zijn en democratische mechanismen niet zo goed werken. En dat radicale beleid is dan -onder meer- vergaande vormen van vrije markt kapitalisme. Onder de noemer van de Washington Consensus is dit ook toegepast in veel ontwikkelingslanden, waaronder Mongolië. Hulp van de Wereldbank en IMF was alleen te krijgen als landen hun markt vrijwel helemaal open stelden, de uitgaven aan onderwijs en zorg drastisch beperkten, etc. Er is nu behoorlijk afstand genomen van de principes van de Washington Consensus. Toch lijkt het principe van shocks aangrijpen voor onpopulaire hervormingen nog aardig actueel. Zie dit filmpje voor een ultrakorte samenvatting van het boek:



Met de huidige crisis in het achterhoofd zijn twee dingen uit het boek me vooral bijgebleven. Ten eerste dat er door de val van het communisme eigenlijk geen alternatief meer is voor het kapitalisme. More... Ga maar na, welk land heeft geen kapitalistisch model? Noord-Korea? De angst voor een communistische revolutie zorgde er eerder bijvoorbeeld voor dat ook politiek rechts meewerkte aan een verzorgingsstaat. Omdat er nu zo weinig tegenkracht meer is wordt de kans op uitglijders en misbruik groter.

Het tweede punt wat me opviel is eigenlijk een voorbeeld van zo'n exces of effect. Naomi (en anderen, eigenlijk Marx) noemt dit de privatisering van winsten en de socialisering van verliezen. Kijk bijvoorbeeld eens naar wat er gebeurd met banken waarvan de top veel risico neemt en enorme salarissen verdient, die worden gered met overheidsgeld en vervolgens gaan de winsten alweer (of nog steeds) naar private partijen. De burgers betalen intussen het prijskaartje. Iets soortgelijks gebeurde in Rusland (en vele anderen) onder Jeltsin, waar in no time 225.000 staatsbedrijven werden geprivatiseerd. Een nikkelfabriek werd bijvoorbeeld voor 170 miljoen verkocht terwijl de winst rond de 1,5 miljard per jaar was. En voila: de opkomst van de superrijken (oligarchen).

Kritiek op het kapitalisme staat vooral in de VS bijna gelijk aan de wens voor een socialistische samenleving (zie de kritieken onder bovengenoemd filmpje op YouTube). Waar het volgens mij vooral om draait is dat je kritisch moet kunnen zijn op welk 'systeem' dan ook om ontsporingen te voorkomen. Als bepaald beleid of maatregelen tot natuurwet of enige alternatief wordt verheven weet je eigenlijk al hoe laat het is. Het ingewikkelde is natuurlijk dat we allemaal aan elkaar vast zitten doordat het mondiale systeem dit soort dingen ook in stand houdt, maar dat betekent niet dat het niet anders kan. Mede door de kredietcrisis komt er nu ook weer meer aandacht voor de schaduwkanten van het kapitalisme, en dat lijkt me niet zo verkeerd.

woensdag 10 maart 2010

Vrijheid, verantwoordelijkheid & vertrouwen

Het grote voordeel van vrijheid en democratie is dat mensen hun eigen keuzes kunnen maken. Maar wat als mensen in vrijheid keuzes maken waar je het absoluut niet mee eens bent? Mag je dan zeggen dat zij niet meer mogen stemmen, mag je ze die keuze ontzeggen of hun vrijheid afpakken? Natuurlijk niet, we zijn niet voor niks een democratie. Maar wat als burgers anderen hun vrijheid ontzeggen?

Vorige week won de PVV in Almere en diezelfde week was Wilders in London. De ‘misschien-wel-toekomstige-premier’ gaf daar een schokkend optreden en beledigde de Turkse premier alvast even flink. Ik vraag me af hoe er in het buitenland naar ons wordt gekeken en helemaal wat er zal gebeuren als Wilders premier wordt. De opkomst van de PVV roept vragen op over hoe je moet reageren als vrije mensen kiezen voor iets waar je het absoluut niet mee eens bent. Je kunt moeilijk zeggen dat het een stel domkoppen zijn die niet meer mogen stemmen. Bovendien is dergelijke maatregelen nemen omdat je denkt de wijsheid in pacht te hebben echt levensgevaarlijk. Het roept waarschijnlijk meer van dezelfde ellende op die je nu juist probeerde te vermijden. More...

Wat ik al tijden probeer te begrijpen is wat de stemmers op Wilders beweegt. Kort gezegd denk ik dat de wereld voor veel mensen (inclusief mijzelf) erg ingewikkeld is geworden. Alles overziend lijkt het soms hopeloos en voel je je ook weleens machteloos om iets te veranderen. Ik heb zelf een vrij idealistische inslag en mijn handen jeuken soms om wat te doen, maar waar moet je beginnen? Vanuit die machteloosheid zoek je naar houvast en keren veel mensen naar binnen en proberen het onbekende op afstand te houden. Vanuit dit idee kan ik een heel klein beetje begrijpen waarom mensen op Wilders stemmen.

Wat de PVV heel goed doet is duidelijk problemen definiëren. Maar wat zijn problemen? Er zit zeker een kern van waarheid in bijvoorbeeld de issues over allochtonen maar dit probleem wordt opgeblazen en aangewakkerd tot enorme proporties die volgens mij allang niet meer in verhouding tot de werkelijkheid staan. De PVV bestaat bij de gratie van dit soort problemen en daarom vraag ik me af of ze die wel echt op willen lossen.

Maar goed, we wonen in een vrij land dus het enige wat ik kan doen is stemmen op een partij die ik goed vind en waarvan ik ook hoop en verwacht dat ze verstandig met de PVV en haar issues omgaan. Vrijheid bestaan volgens mij bij de gratie van verantwoordelijkheid en vertrouwen in mensen en niet door groepen uit te sluiten van die vrijheid.

dinsdag 26 januari 2010

Wat is er mis met de menselijke maat?

Voor de verandering even geen stukje van mezelf en ook niet (per se) over ontwikkelingssamenwerking. Dit stuk van Marjolein Februari (columnist bij de Volkskrant) vond ik net. Over de menselijke maat en controledwang, een thema waar ik vaak over na loop te denken. Ze verwoordt het mooi!

Sally Brown, zusje van stripfiguur Charlie Brown, tegen een onderwijzer: 'My name is Sally Brown and I hate school.'

Onwil, chagrijn, irritatie, boosheid en agressie - het zijn allemaal heel normale verschijnselen, die we blijmoedig onder ogen moeten zien. Er is geen enkele reden te wanhopen als Sally Brown een hekel heeft aan geschiedenis. Of als ze boos wordt en haar kleren stom vindt. Of als ze niet naar school wil, omdat ze niets weet. Die dingen zijn zo.

In het algemeen is het goed om negativiteit een plaats te geven in je wereldbeeld. Om die reden besloot ik ooit, toen ik nog lesgaf, mijn studenten iets bij te brengen over de gewoonheid van negatieve uitingen en verlangens. Ik hield een gloedvol college waarin ik vertelde dat niet iedereen altijd alleen maar gelijkmatig is en naar harmonie streeft, ik sprak over Nietzsche en Markies de Sade, en ik vond na afloop een afvaardiging van de studenten op mijn stoep met het verzoek zoiets nooit meer te doen.

Anders dan mijn vriendelijke studenten, die liever niet te veel wisten en zeker niets over het boze, is de kleine Sally Brown ervan overtuigd dat ze iets moet leren. Ook al ziet ze in de verste verte niet in waarom. Ze heeft een hekel aan school, en ze maakt haar onderwijzers aan het huilen, maar ze roept zich zelf onveranderlijk tot de orde. 'Wie de vader was van Henry!V?! HET KAN ME HELEMAAL NIKS SCHELEN! Sorry Neem me niet kwalijk Dat was een instinctmatige reactie.' More...

Aan deze even aandoenlijke als bozige Sally Brown denk ik vaak, en vooral aan de aflevering waarin ze naar school wil met haar cowboylaarzen aan. Een onzichtbare volwassene verbiedt dat, waarop Sally boos uitroept: 'Waarom mag ik nooit eens gewone kleren aan? Menselijke kleren?' Precies de vraag die me regelmatig door het hoofd spookt. Wat is er mis met menselijke kleren? Met gewone verlangens? Met de menselijke maat?

Deze zomer sprak de pedagoog Jo Hermanns aan de Universiteit van Amsterdam een oratie uit over opvoeding. 'Over kinderen en jongeren wordt vooral gesproken in termen van risico's en overlast', zei hij. Daarbij is sprake van een rare paradox. Aan de ene kant gaat het heel goed met de Nederlandse jeugd, en de Nederlandse opvoeding. De problemen worden langzaamaan minder, en 'in vergelijking met andere landen vallen we in positieve zin op'.

Aan de andere kant komen steeds meer kinderen, en juist niet die met de grootste problemen, in de jeugdzorg terecht. Het ziet er al met al naar uit dat we het opvoeden verleerd zijn, zegt Hermanns. Gewone opvoedproblemen kunnen we niet meer oplossen zonder specialisten in te schakelen: we voeden niet meer op, we behandelen. En als die psychopathologisering niet werkt, die dramatisering van het gewone, dan schakelen we het strafrecht in.

Hermanns roept op opvoedproblemen weer te gaan beschouwen als een zaak van 'gewone mensen'. En dat is een pleidooi dat je prima kunt overhevelen naar andere gebieden dan de jeugdzorg alleen. We hebben namelijk de neiging niet alleen het gewone gedrag van kinderen te pathologiseren en te criminaliseren, we laten de deskundigen en het strafrecht los op iedereen. Bozige burgers heten extreem-rechts; en als ik me niet onverwijld inschrijf als columnist, dreigt de Kamer van Koophandel, pleeg ik een economisch delict.

Het is allemaal controledwang. Een wanhopige behoefte greep te krijgen op de ingewikkeldheden van het leven. Misschien was het vroeger ook wel een economisch delict als je je niet inschreef bij de Kamer van Koophandel, maar nieuw is dat iedere straatventer en iedere zelfstandige visser zich moet registreren. Nieuw is het dat we, als uitzondering in Europa, vingerafdrukken centraal opslaan en dat we leraren vragen te gaan tijdschrijven. De minister van Binnenlandse Zaken denkt oprecht dat agenten hun gezag herwinnen als ze meer bekeuringen uitdelen. En waarom grijpen agenten op straat niet meer gewoon in? Omdat ze dan terug moeten naar het bureau en een rapport opmaken in zeventienvoud.

De controledwang komt voort uit onzekerheid: we zijn bang dat opvoeden niet voldoende is, dus gaan we behandelen en straffen. En daar hopen we beter van te worden. Pedagoog Hermanns wijst erop dat in Nederland veel aandacht bestaat voor James Heckman, die in 2000 de Nobelprijs voor de economie kreeg. In 2006 schreef Heckman een artikel onder de titel 'Catch 'em Young', waarin hij opriep zogenaamde'risicokinderen' al op jonge leeftijd in de kladden te grijpen en tot de orde te roepen. Dat levert economisch veel meer op dan latere interventies. Het duurt waarschijnlijk niet lang meer, denk ik, of je pleegt een economisch delict als je je kind niet al bij de geboorte laat registreren als risicokind.

In de coulissen van het huidige politieke theater is een ontwikkeling gaande die veel bedreigender is dan de discussie op de voorgrond: het sociologiseren, pathologiseren, registreren, politicologiseren en criminaliseren van het gewone. Om het leven weer te kunnen beschouwen als het terrein van gewone mensen zal de politiek een verhaal moeten vinden dat recht doet aan de rommeligheid van het dagelijks leven. Aan de problemen, hoe futiel ook, aan alle uiteenlopende irritaties, wensen en grote ambities. Zonder meteen uit te wijken naar behandeling of straf.

Wie vervolgens iets wil veranderen aan de manier waarop mensen de wereld tegemoet treden, doet er goed aan ze hun eigen waarde te laten beseffen. In het licht hiervan was ik uiterst verbaasd te lezen dat de Amsterdams oppositiepartijen kansarme jongeren geen studiereis gunnen naar New York. Toe nou toch. Studenten krijgen toch ook beurzen? Geef die kinderen een ticket.

Opvoeden moet een zaak zijn voor gewone mensen, en dus niet voor specialisten.

dinsdag 12 januari 2010

Op eigen kracht

Het idee van empowerment is een belangrijk begrip geworden in ontwikkelingssamenwerking. Maar ook in Nederland is men bezig met empowerment, bijvoorbeeld door Eigen Kracht conferenties. Gisteren was in de documentaire Met Eigen Kracht een gezin te zien dat zelf bijna niet meer uit de problemen kon komen. 7 mensen met bijna allemaal een andere hulpverlener en toch werd de situatie niet beter. De (alleenstaande) moeder was het zo zat dat ze een Eigen Kracht conferentie had aangevraagd. Hierbij wordt (eerst onder begeleiding) het netwerk rondom het gezin gemobiliseerd. Vervolgens zitten ze een dag in een conferentiezaal waar ze zelf een plan van aanpak moeten maken hoe het gezin weer op eigen kracht verder kan. Wat kan men zelf, waar is hulp bij nodig?

Het breekt met het idee dat hulpverleners altijd de oplossing moeten bieden en mensen blijken vaak veel krachtiger (en meer steun te hebben) dan zij en anderen dachten. Zoals ombudsman Pieter Hilhorst zegt: een prachtig voorbeeld van samenredzaamheid. Dit houdt het midden tussen 'zoek het zelf maar uit' en een overheid die voor iedereen zorgt maar daarmee soms ook mensen opsluit in afhankelijkheid.

Ik vond dit idee prachtig, uitgaan van eigen kracht en met hulp uit eigen kring verder komen. Maar zou dit ook kunnen werken in ontwikkelingslanden? Wordt 'op eigen kracht' vooral mogelijk gemaakt door de buitenwereld en maatschappij waarin je leeft of moet (kan) het uit jezelf komen? More...
Als je arm bent in een ontwikkelingsland en in de problemen zit is de kans groot dat je netwerk ook niet zo rijk is. Daarbij is er een Nederland een heel systeem met voedselbanken, schuldsanering, uitkeringen, goede scholen en in principe genoeg werk. Hoe moet je uit je problemen komen als je in een structuur zit met maar heel weinig kansen?

Toch denk ik dat dit idee in de basis ook veel kansen biedt in ontwikkelingslanden. Juist door het 'op eigen kracht doen' en zoeken naar kansen om de situatie te verbeteren. En misschien zit die verbetering voor mensen zelf wel in andere dingen dan wij denken, ook daar moet ruimte voor zijn. Als ontwikkelingsorganisatie zou je dit dan kunnen ondersteunen (sowieso werken al veel ngo's aan empowerment), bijvoorbeeld door hulp bij het organiseren van zo'n conferentie of ondersteuning bij de oplossingen. Op eigen kracht betekent niet 'alles zelf doen', maar wel dat mensen vaak (samen met hun netwerk) tot meer in staat zijn dan zij zelf dachten. En dat is dus de kern van empowerment.

woensdag 30 december 2009

Wat als de hulp stopt?

Precies een maand geleden was deze vraag het onderwerp van Tegenlicht. In de uitzending werd een soort scenario geschetst van wat er met Afrika zou gebeuren als de hulp (van regering aan regering) stopt. En eerlijk gezegd lijkt dat niet eens zo'n slecht idee. Volgens een Ugandese journalist is de relatie tussen overheid en burger in Afrika behoorlijk verstoort omdat de overheid afhankelijker is van donoren dan burgers. Daarnaast is de private sector amper ontwikkelt waardoor je voor het grote geld dus in de overheid moet zitten. Het gevolg is een grote machtsstrijd, veel coups etc. 'Nu is het onze tijd om te eten' heb ik weleens gelezen in een boek over Congo. En de prikkels om echt wat te doen zijn afgezwakt doordat er toch wel geld komt. Daarbij is het belangrijk om te bedenken dat veel geld (lange tijd) vaker is gegeven vanuit politieke motieven dan dat men echt ontwikkeling wilde bevorderen. Zoals het steunen van bepaalde politieke leiders in de Koude Oorlog door Amerika en Rusland.

Wat zal gebeuren als de (bilaterale) hulp echt stopt? Zal het daar -vooral op de lange termijn- beter van worden? Als hulp gegeven wordt dan moet dit ook echt bevorderen en niet ondermijnen. Dat is vast de bedoeling ook niet maar toch gaat er blijkbaar iets mis. Over een paar weken komt de WRR met een rapport over de stand van zaken op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en dit gaat waarschijnlijk ook behoorlijk invloed hebben op het beleid. Ik wacht vol spanning af...

woensdag 16 december 2009

Voluntourism (2)

Een tijdje geleden schreef ik al eens over voluntourism (een combinatie van reizen en vrijwilligerswerk). Ik vroeg me toen vooral af wat nu de effecten hiervan zijn.

Het meeste onderzoek richt zich echter op de vrijwilligers. Hieruit blijkt dat het aantal mogelijkheden flink groeit, elke maand komen er nieuwe organisaties en projecten bij in de hele Westerse wereld. De meeste projecten zijn in ontwikkelingslanden maar sommige gebieden komen veel vaker voor dan andere. Veiligheid heeft invloed (er zijn weinig projecten in Irak of Birma) maar een aantrekkelijke omgeving lijkt meer invloed te hebben op de keuze van projecten. De aangeboden locaties lijken vaak niet gerelateerd te zijn aan behoefte, tenminste als je uitgaat van het gemiddelde inkomen of ontwikkelingsgraad van de landen of regio’s in kwestie. More... Een groeiend deel van de bemiddelende organisaties biedt projecten aan tegen commerciële tarieven. In die zin kan het worden gezien als een vorm van ‘gewoon’ toerisme. Het is onduidelijk of vrijwilligers vooral aan voluntourism doen vanuit altruïsme of –als andere uiterste- om een positief gevoel over zichzelf te krijgen. Voor sommigen is het vooral een vakantie, voor anderen een manier om je onder te dompelen in een andere cultuur, een verbintenis met serieuze kosten en verantwoordelijkheden of iets om verdere carrière te bevorderen of je persoonlijk te ontwikkelen. Het verschilt enorm van persoon tot persoon. Wat het de vrijwilliger oplevert verschilt dan natuurlijk ook.

Mijn belangrijkste vraag blijft echter welk effect dit heeft op het onderwerp van deze activiteiten? Oftewel, wat is het effect voor de projecten en gemeenschappen waar dit vrijwilligerswerk plaats vindt? Het gaat me vooral om mensen in bijvoorbeeld weeshuizen, gemeenschappen of andere groepen. Hebben zij baat bij dit vrijwilligerswerk? Hierover is helaas nog weinig bekend. Er is in een paar kleine dorpen in Mexico onderzocht wat bewoners vinden van voluntourism. Hieruit bleek dat bewoners (en de vrijwilligers zelf) de vrijwilligers niet per se als toeristen zien. De bewoners waren allemaal evenveel op de hoogte van de positieve effecten van het vrijwilligerswerk maar mensen met een hogere opleiding waren kritischer over de negatieve effecten. Nog belangrijker bleek echter of iemand persoonlijk baat heeft bij voluntourism. Dit kan door het werk wat gedaan wordt maar ook door inkomsten uit accommodatie of eten. Toch blijft wat onduidelijk wat nu die positieve en negatieve effecten zijn en hoe erg of goed dat is.

Het blijft dus nogal vaag maar ik vind het echt een heel boeiend onderwerp. Het zou toch mooi zijn als we weten wat werkt en –misschien nog wel belangrijker- wat niet. Want het zou zonde zijn als met alle goede bedoelingen meer schade dan goeds wordt aangericht. Ik hou me in ieder geval graag aanbevolen voor een dergelijk onderzoek, lijkt me heel zinnig en mooi om te doen. Maar totdat we daar meer over weten kunnen we natuurlijk nog steeds stukje bij beetje aan de wereld werken. Met wat kritisch vermogen, gezond verstand en vallen en opstaan kom je namelijk ook best een eind toch?

vrijdag 20 november 2009

Enjoy poverty

Van wie is de armoede? Deze vraag stelt Renzo Martens in zijn controversiële documentaire Episode III: Enjoy Poverty. "Om meteen tot de kernscène te komen: Renzo Martens is in Congo om mensen te leren hoe ze hun eigen armoede te gelde kunnen maken. Hij vindt dat ze net als westerse oorlogsfotografen ook een centje moeten kunnen verdienen aan het fotograferen van al die ellende om zich heen. In een ziekenhuis met uitgemergelde kinderen geeft hij de aspirant-fotografen dan ook tips om de ribben van de kinderen zo goed mogelijk in beeld te brengen. Schokkend? Ja, maar net zo schokkend is de reactie van een medewerker van Artsen Zonder Grenzen, die op hoge toon weigert om hun foto's te gebruiken voor de campagne omdat ze "voor het geld zijn gemaakt". "En de westerse fotografen, die verdienen toch ook aan hun foto's, waarom mogen zij dat wel?" vraagt Martens, scherp als altijd." (bron)

Renzo stelt vragen die bijna niemand stelt, op een soort Michael Moore-achtige manier en dat levert fascinerende maar vooral bizarre televisie op.

maandag 16 november 2009

Voluntourism

In ‘En je ziet nog eens wat’ schetst Renske de Greef een nogal onthutsend beeld van een groeiende trend onder jongeren: voluntourism. Ik heb erg gelachen om het boek maar hoop echt dat de meeste vrijwilligers ietsje beter voorbereid op weg gaan. In het boek komen twee meisjes er bijvoorbeeld achter dat in hun Tanzaniaanse stadje 17 weeshuizen staan terwijl weeshuizen helemaal niet gebruikelijk zijn in de Tanzaniaanse cultuur. Rara, hoe kan dat? More...
Inmiddels is er een hele markt ontstaan van organisaties die vrijwilligers en projecten met elkaar verbinden. De organisaties die bemiddelen voor vrijwilligerswerk kunnen grofweg worden ingedeeld in twee categorieën. De eerste zijn de organisaties die het meeste lijken te doen aan voluntourism. Zij richten zich bijvoorbeeld op jongeren die willen werken in weeshuizen, op scholen en bouwprojecten. Deze projecten zijn laagdrempelig, er worden meestal niet of nauwelijks eisen aan opleiding en werkervaring gesteld. Opmerkelijk is dat vrijwel al deze projecten geld kosten. Uit een kleine zoekactie naar vrijwilligerswerk in Uganda blijkt dat de kosten voor twee maanden uiteenlopen van €400 tot €1500. Dit is exclusief ticket, visa en verzekering. Na je afstuderen een tijdje vrijwilligerswerk doen blijkt in veel gevallen een duur grapje.

De tweede groep organisaties is veeleisender. Vaak is een bepaalde opleiding en ook werkervaring vereist. Het werk dat gedaan moet worden is vaak ook ingewikkelder dan bij de eerste groep. In veel gevallen gaat het hier eigenlijk om een ‘echte baan’ maar dan zonder salaris of tegen een lokaal salaris. Een paar weekjes langskomen is hier meestal ook geen optie, een paar maanden is vaak het minimum. Deze eisen hebben wel tot gevolg dat jongeren zonder opleiding of werkervaring moeilijk door de selectie komen. Het is dan ook niet zo vreemd dat zij snel bij ‘voluntourism’ zullen uitkomen.

Al eerder vroeg ik me af voor wie dit soort vrijwilligerswerk nu echt verschil maakt. Voor de vrijwilliger in kwestie of voor degenen die ze geacht worden te helpen? En wat voor andere effecten heeft dit? Hoe gaat het met de lokale bouwvakkers als vrijwilligers worden ingezet om scholen te bouwen? En wat gebeurd er met al dat geld? Wordt hiervan het project gefinancierd en zijn die vrijwilligers wel echt nodig of worden ze vooral ingezet omdat ze geld binnenbrengen? Het antwoord op deze vragen hangt natuurlijk ook sterk af van de opzet van het programma en begeleiding van vrijwilligers. Als dit behoorlijk geregeld is kun je waarschijnlijk best een goede bijdrage leveren. Veel websites van voluntourism organisaties beloven een unieke ervaring en dat je op deze manier het verschil kunt maken. Dat de ervaring uniek is dat geloof ik best maar over dat verschil heb ik wel wat twijfels.

woensdag 21 oktober 2009

Media en de self-fulfilling prophecy

Voor mijn werk volg ik al een paar jaar het debat in media en politiek over het onderwijs. Erg interessant maar ook wel eens frustrerend. Denk je dat het Nederlandse onderwijs wel goed is? Lees eens een dagje alle artikelen van de afgelopen maanden en je bent acuut een stuk minder blij. Waar of niet, goed nieuws is geen nieuws. Nieuws moet bijzonder zijn en het belangrijkste: het mag niet teveel afwijken van wat mensen denken dat waar is. Het is net als bij leren, kennis blijft alleen hangen als het aansluit bij iets dat je al weet. De media speelt –niet verrassend- een grote rol in het bevestigen van bestaande denkbeelden van mensen. Misschien dat deze verklaring ook wel iets zegt over het debat over ontwikkelingssamenwerking. More...
Het debat over ontwikkelingssamenwerking zoals het gevoerd werd in de kranten en de politiek was tot voor kort -in mijn beleving- vrij kalm en positief. Dit kwam ook aardig overeen met de publieke opinie: ontwikkelingssamenwerking was een behoorlijk goed en nobel iets maar vooral een ver-van-mijn-bed-show voor de meeste mensen. Sinds kort is het debat echter behoorlijk omgeslagen. Misschien komt het doordat steeds meer mensen reizen en ook meer zien van landen. Of doordat bijna iedereen tegenwoordig wel iemand kent die een stichting heeft of vrijwilligerswerk doet. Het is dus een dichter-bij-mijn-bed-show geworden. Wat lastiger te begrijpen is, is dat op de één of andere manier de publieke opinie nogal tegen de ‘grote’ ontwikkelingsorganisaties is gekeerd. De zogenaamde strijkstok wordt veelvuldig van stal gehaald en ineens lijken allerlei boeken te verschijnen over de schaduwkanten van ontwikkelingssamenwerking. Nu is een beetje reflectie helemaal niet slecht, beter dan dat het bijna not-done is om te zeggen dat er ook wel eens wat mis gaat. Wat je niet erkent, kun je immers ook niet verbeteren.

Is de veranderde discussie dan erg? Deels niet maar waar ik me soms aan stoor is de manier waarop het debat gevoerd wordt (al is dit bepaald niet uniek). Het gebrek aan onderscheid tussen (bijvoorbeeld) nood- en ontwikkelingshulp of als gedaan wordt alsof Nederland half failliet gaat door ontwikkelingssamenwerking. Beeldvorming in de media speelt hierbij een grote rol. In het debat over onderwijs is bijvoorbeeld het beeld dat de kwaliteit van het onderwijs dramatisch gedaald is vrij hardnekkig, uit onderzoek blijkt een veel genuanceerder beeld. Lekker belangrijk, of toch wel? Hoe erg is slechte beeldvorming? Het probleem bij dit soort kwesties is dat het vaak niet bij beeldvorming blijft maar dat dit ook invloed heeft op de werkelijke situatie, zowel buiten als binnen organisaties. Gezien de ervaringen met omvallende banken weet tegenwoordig iedereen hoe een self-fulfilling prophecy werkt: als je zegt dat de bank failliet gaat haalt iedereen zijn geld eraf en… zelfs een gezonde bank gaat inderdaad failliet. If man defines a situation as real, it will be real in it’s consequences. De vraag is: Welke consequenties?

maandag 12 oktober 2009

Onverwoestbaar doorgaan

Tineke Ceelen is momenteel directeur van Stichting Vluchteling en werkte daarvoor bij Memisa, SNV en het Rode Kruis. Over die ervaringen (vooral met noodhulp) heeft ze een boek geschreven: Hier en daar een crisis. Het boek leest als een trein en ik had 'm zo uit. Tineke beschrijft vooral haar bezoeken aan allerlei crisisgebieden. Soms neemt ze daarbij behoorlijke risico's, bijvoorbeeld in Soedan waar ze opgepakt wordt en bijna de doodstraf krijgt. Ze schrijft over die (vaak korte) bezoeken, wat ze doen maar ook -heel eerlijk- wat er misgaat en de rol van de media.

Maar wat ik eigenlijk het mooiste vond is de onverwoestbaarheid van Tineke Ceelen. Het gaat niet allemaal goed, het is meestal te weinig maar dat is absoluut geen excuus om dan maar niks te doen. Je laat mensen niet stikken, punt uit. Een boek om weer even te pakken op momenten dat je denkt 'waarom ook alweer?' Daarom dus.

Mocht je weinig tijd hebben dan kun je ook kijken naar dit interview. More... Behalve de onderwerpen van het boek komt hierin ook de moeilijke (kritische) kant van noodhulp nog meer aan de orde.

donderdag 8 oktober 2009

Verhalen van Ver & Fort Europa

Sinds kort werk ik als vrijwilliger mee aan twee projecten over vluchtelingen en migratie. Bij Vluchtelingenwerk ga ik vooral het spel Fort Europa begeleiden. In dit spel moet je proberen om als vluchteling Fort Europa binnen te komen. Het is vooral bedoeld om mensen eens te laten ervaren hoe het eigenlijk is om vluchteling te zijn. Waar moet je over nadenken? Hoe makkelijk is het om in Nederland te komen? Waarom vluchten mensen en kun je dan nog terug? Ik ben net begonnen en heb het gisteren voor het eerst gespeeld bij Vluchtelingenwerk Haren maar hoop dit binnenkort ook te begeleiden bij gemeenten, politieke partijen, studentenverenigingen of welke groep dan ook. Iedereen met belangstelling (of juist vooroordelen) voor vluchtelingen is geschikt. More...
Daarnaast werk ik bij COS Groningen aan Verhalen van Ver. Hierbij vertellen vluchtelingen en migranten hun verhaal. Waarom zijn ze hier gekomen? Hoe ging dat en wat vinden ze van Nederland? Gastsprekers komen onder andere uit Congo, Peru, Amerika, Rusland en Soedan. Bij de één gaat het vooral vooral over waarom en hoe ze hier zijn gekomen, bij de ander juist over hoe ze de Nederlandse samenleving ervaren.

Ben je -met wat voor groep dan ook- geïnteresseerd in één van deze activiteiten? Laat het me weten via een reactie op deze site of stuur een mailtje.

maandag 5 oktober 2009

Een zonnig eiland

Van mijn (ex)collega kreeg ik als afscheidskado een interessant boek. Ergens in de Grote Oceaan ligt het eiland Jarubo. Op papier zeer arm, onderontwikkeld en met een hoop last van rebellen en tyfonen. In werkelijkheid echter het toppunt van ontwikkeling. De bewoners hebben zich bekwaamd in het binnenhalen van zoveel mogelijk ontwikkelingsgeld met zo min mogelijk controle. In de roman Een zonnig eiland van Aad van den Heuvel is dit cynische idee uitgewerkt. More...
Het idee is op zich grappig: een volk dat als toppunt van ontwikkeling het ontwikkelingsgeld zo manipuleert dat het inderdaad nog tot een hoge welvaart leidt ook. Je merkt dat Aad best veel weet van het reilen en zeilen van (internationale) ontwikkelingssamenwerking maar helaas wil het qua verhaal niet zo vlotten. Het mysterie waar het hele boek om draait blijkt uiteindelijk niet al te spannend. Daarbij was ik na een pagina of honderd ook wel klaar met al dat cynisme en blijf je een beetje achter met het gevoel van 'wat dan wel'? Iemand die zoveel lijkt te weten heeft toch ook wel een mening over hoe het anders moet? Ik heb het niet kunnen ontdekken. Conclusie: best leuk maar geen spannende roman (maar toch bedankt Maaike!). Als 'tegengif' heb ik inmiddels een boek van Tineke Ceelen, de directeur van Stichting Vluchteling, gekocht. Dus wordt vervolgd.

dinsdag 29 september 2009

Beste mevrouw Verdonk

Er is geld gegeven en er zijn nog steeds arme mensen, dus ontwikkelingshulp helpt niet. Die mensen hoeven ook nog niet eens iets te doen voor hun geld, alleen maar zitten en hun hand ophouden. Dus natuurlijk mevrouw Verdonk, u heeft helemaal gelijk. Eigen volk eerst, we hebben het al moeilijk genoeg.

En het is echt een fantastisch nieuw idee om eens te kijken hoe mensen actiever kunnen worden en meer handel te drijven. Daar was nog helemaal niemand opgekomen en is vast het enige wat helpt in deze ingewikkelde wereld. Zeker nu ontwikkelingsorganisaties alleen maar bankbiljetten lopen uit te delen in Afrika.

Nu het aantal stageplekken zo terugloopt kunt u misschien meteen -heel maatschappelijk verantwoord- een stagiaire aanstellen om wat achtergrondinformatie te verzamelen. Of doet u dit expres?

Zucht...

dinsdag 22 september 2009

Piepen

Nu Prinsjesdag achter de rug is en al het geouwehoer weer is begonnen moet me toch even iets van het hart. Het begint er namelijk op te lijken dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking enorm gekort gaat worden. Vreemd genoeg is daar amper discussie over in de samenleving. Een kleine zoekactie in de kranten -en vooral de Telegraaf- levert niet echt een beeld op om blij van te worden. Argumenten als 'ontwikkelingshulp is toch een bodemloze put dus stop het maar in het onderwijs' of 'breng het terug tot normale proporties' worden uit de losse pols neergepend. Wat zijn normale proporties trouwens? We hadden toch 0,8% afgesproken?

Nederland zal na de crisis armer zijn dan daarvoor zei Wouter Bos. Maar hoeveel armer dan? Zo arm als in 2003 of 1995? Ik heb echt geen idee hoeveel maar zo arm is dat toch niet? Natuurlijk zijn er mensen die hard geraakt worden, vooral als je je baan kwijt raakt. Toch schijnt het dat onze gemiddelde koopkracht maar een paar tientjes achteruit gaat en hoor je sommige mensen wel heel hard piepen. Nou en, denk ik dan, voortdurende groei is toch niet iets waar wij toevallig recht op hebben en zo arm worden we niet. Ik ben toch niet de enige die dit denkt?

donderdag 10 september 2009

Het verschil tussen inspireren en realiseren

In mijn vorige blog beweer ik dat het niet realistisch is om te roepen dat je de armoede de wereld uit gaat helpen. Technisch klopt dat misschien, maar toen ik er even over doordacht merkte ik dat ik zo mijn eigen idealisme om zeep aan het helpen was. Een beetje idealisme is natuurlijk ook broodnodig, anders begint er helemaal niemand meer aan. Maar hoe zit het dan?

Gelukkig kwam ik vorige week een stuk tegen van Rob Wijnberg (een jonge, hippe filosoof; hoera die bestaan ook...) die worstelt met hetzelfde dilemma bij Obama. Obama sprak immers steeds over hoop, Yes We Can! en wilde van alles maar handelt daar ondertussen nog niet helemaal naar. Een kernwapenvrije wereld beloven maar er is in Amerika nog geen kernwapen weggegaan, de invloed van lobbyisten beperken maar campagne voeren met geld van grote bedrijven op Wall Street.

Hoe valt dat met elkaar te rijmen? Kun je het ene beloven en het andere doen? More... Nou, soms is dat zelfs nodig. Het heeft namelijk beide een andere functie zegt Wijnberg. Met zijn speeches (wat hij zegt) probeerde Obama mensen hoop te geven, betrokkenheid en draagvlak te creëren en mensen aan te sporen. Maar met het beleid (wat hij doet) probeert hij werkbare oplossingen uit te voeren om te beginnen met het oplossen van problemen. En oplossingen die haalbaar zijn, zijn meestal niet perfect. De speeches draaien om inspireren terwijl het bij beleid om realiseren gaat. In de harde werkelijkheid vallen die twee helaas vrijwel nooit samen.

Zo bekeken is het helemaal niet vreemd dat ontwikkelings-organisaties niet kunnen waarmaken wat ze beloven. En om ons (en zichzelf) te inspireren moeten ze juist wél blijven beloven om de wereld eerlijker en minder arm te maken. Juist omdat de werkelijkheid eerder die is van kleine stapjes in de complexe realiteit heb je idealisme nodig om te onthouden waar je ook alweer naartoe wilde.

dinsdag 25 augustus 2009

Verwachtingenmanagement

Wat zouden mensen antwoorden als je ze op straat ging vragen wat het doel is van ontwikkelingssamenwerking? Afrika helpen? Arme mensen helpen? De verwachtingen zijn vaak hoog gespannen. Misschien wel te hoog. Toen ik net terug kwam uit Oeganda had ik een tussenstop in Londen en kwam daar langs een Oxfam winkel. Op de etalage stond met koeienletters: ‘Help us end poverty’. Eerlijk gezegd leek me dat een vrij onrealistische claim. Daar zijn de budgetten te klein en de werkelijkheid veel te complex voor. Het paradoxale is dat ik dit tegelijkertijd een zeer nastrevenswaardig doel vindt en dat we samen de verantwoordelijkheid hebben om de wereld rechtvaardiger te maken.

Hoe valt deze tegenstelling te verklaren? Waarom zou een organisatie niet mogen zeggen zij een einde aan de armoede gaan maken? More...Dat is hartstikke ingewikkeld. En dat weten die organisaties dondersgoed. Dus proberen ze op allerlei manieren invloed uit te oefenen. De activiteiten van organisaties als ICCO, Novib of Hivos doen me denken aan een grote gemeente waarin men op allerlei vakgebieden en niveaus thuis moet zijn. En dan met een gemeente die de halve wereld beslaat.

Ontwikkelingsorganisaties zijn in hoog tempo aan het professionaliseren alleen lijkt dat bij het grote publiek nog niet zo doorgedrongen. Bewust of onbewust blijft bij een hoop mensen het Moeder Theresa-effect vrij hardnekkig. Enerzijds leggen organisaties wel meer de nadruk op zaken als empowerment en zelfredzaamheid en proberen ze uit te leggen waarom het zo ingewikkeld is. Anderzijds hebben veel ontwikkelingsorganisaties ook een boodschap nodig die voldoende fondsen oplevert. En dan is een zielig kind of mevrouw met een lening vaak een stuk effectiever dan al die complexiteit.

Er zijn onderzoeken bekend waaruit blijkt dat mensen bij het horen over miljoenen armen minder doen of geven dan bij een verhaal over één meisje dat dankzij 1 euro per week naar school kan. Dat is ook niet zo vreemd omdat in het eerste geval het effect al snel is: dat kan ik niet oplossen, zelfs als ik 500 euro per jaar geef schiet het niet op. Terwijl je bij dat meisje voor 52 euro weet dat ze naar school kan. Het is dan ook niet zo vreemd dat hierop wordt ingespeeld. Anderzijds denk ik dat er ook wel meer aan verwachtingenmanagement gedaan mag worden. Het is ingewikkeld, er worden fouten gemaakt en niet elke euro kan besteedt worden aan de school van dat meisje. Maar aan een organisatie die geen fouten maakt zou ik nooit geld geven. Lijkt me namelijk niet waarschijnlijk dat daar veel (nieuws) gebeurd…

donderdag 16 juli 2009

Bijtanken

Voor wie denkt: "Wat schrijft ze weinig. Is ze er soms mee gestopt?" Nou nee, maar zo tegen het einde van het werkjaar is de denktank even leeg. Morgen ga ik nog een dagje klussen in de straat (al zal het wel vooral schuilen onder de steiger worden...). En dan vertrek ik voor een zonvakantie naar ... Friesland. Even bijtanken en dan in augustus weer terug met nieuwe ideeën!

donderdag 25 juni 2009

Ontwikkelingsdromen

Gisteren was ik bij een lezing over 'public value' en raakte ik met collega Maaike weer eens in discussie over onderwijs. De laatste jaren steken veel [MBO]scholen veel tijd en energie in flexibeler onderwijs. Meer keuze in vorm en inhoud om aan te sluiten bij leerling 2.0. Hartstikke mooi maar zitten leerlingen daar eigenlijk wel op te wachten? Het antwoord is: geen idee. Het is ze namelijk nog nooit gevraagd.

Binnen ontwikkelingssamenwerking is het vermoedelijk niet veel anders. Hoewel er veel evaluaties plaatsvinden (veel meer dan in het onderwijs) wordt de ontvangende bevolking maar weinig aan het woord gelaten. Dit is anders in het onderzoek van Ton Dietz en Fred Zaal. Zij vroegen in Noord-Ghana de dorpelingen zelf wat zij nu van de ontwikkelingsprogramma's hun regio vonden. Eerst stelden ze samen een lijst op van alle initiatieven van de laatste 25 jaar. De lijst bestond uit 341 ontwikkelingsinitiatieven van de overheid, kerkelijke en niet-kerkelijke (particuliere) organisaties. De dorpelingen beoordeelden die initiatieven als volgt:

More...
Wat ik opmerkelijk vind is dat dit een veel positiever beeld geeft dan vaak geschetst wordt. Volgens deze definitie zou ruim de helft van de initiatieven dus succesvol zijn. Een ander opvallend punt is dat mannen en vrouwen in 12% van de gevallen sterk verschillende meningen hebben over of iets succesvol is of niet. Er wordt vaak vergeten dat 'de armen' of 'de Ghanezen' niet één homogene groep is met allemaal dezelfde voorkeuren. In Noord-Ghana hadden de mannen bijvoorbeeld meer waardering voor wegen terwijl vrouwen onderwijs meer waarderen.

Dit soort onderzoekjes leiden bij mij altijd tot wilde ideeën. Wat als je dit nog een paar keer over doet op andere plekken? Krijg je dan hetzelfde beeld? En wat me dan helemaal leuk lijkt is om die 50 dorpelingen daarna te vragen om hun ideale ontwikkelingsprogramma te ontwerpen. Als alles kan wat zou je dan willen? Wat moet er dan echt gebeuren in deze regio? Daar zullen de meningen vast over verschillen maar vermoedelijk wordt men het voor 80% wel eens. Ben benieuwd in hoeverre dat lijkt op wat er daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Ik kan me niet voorstellen dat zoiets nog niet bedacht is maar anders hou ik me aanbevolen om nog even verder te filosoferen...

zaterdag 13 juni 2009

Het taboe van vrijwilligerswerk

Vandaag in de Volkskrant (magazine) een stuk over vrijwilligerswerk. Veel vrijwilligers blijken nogal onvoorbereid en met te rooskleurige verwachtingen in Afrika te belanden. Er wordt geen rekening gehouden met de cultuurschok, het gebrek aan privacy en de roze bril valt vaak al snel af. Ook organisaties ter plaatse gaan soms vreemd met de vrijwilligers om. Bereiden ze niet voor en zorgen amper voor begeleiding en opvang.

Een meisje vertelt van haar wens om iets te doen voor "zielige kleine zwarte kindjes ... voor wie niemand wilde zorgen". Dit beeld heeft een grote aantrekkingskracht op vrijwilligers en dat begrijpt men ook in Oeganda (en andere ontwikkelingslanden). Ook hier creëert vraag aanbod. Er zijn natuurlijk ook zat goede voorbeelden maar feit is wel dat kinderprojecten een industrie zijn geworden. "Je kunt je in veel gevallen afvragen wie of wat er eerst was: de vrijwilliger of het weeshuis". More... Ook de definitie voor weeskinderen is anders in Oeganda en veel ouders zien ook wel dat die kinderen beter af zijn dus proberen hun kind dan ook daar te krijgen.

En als de vrijwilliger er dan is blijkt vaak dat van de goede plannen weinig terecht komt. Veel mensen komen met het idee iets te verbeteren maar veel Afrikanen zitten daar niet op te wachten. Het is ook de vraag hoe fijn het is als er elke paar maanden weer een nieuwe lichting komt die [bijvoorbeeld] iets probeert te veranderen aan je onderwijs.

Dit is echt zo'n onderwerp waar ik al een tijdje mee worstel. Wat moet je hier nu van vinden? Mijn beeld komt eerlijk gezegd nogal overeen met dit stuk maar dat is niet iets wat je makkelijk zegt. Je wilt mensen die vrijwilligerswerk gaan doen niet kwetsen. Maar vooral als ik soms hoor hoe de 'achterblijvers' in Nederland erop reageren dan gaat het toch kriebelen. "Thuis hebben ze zoveel respect voor wat je doet. Maar ik heb niet het gevoel dat ik zoveel heb gedaan. ... zonder mij had het ook wel gelopen." Het beste effect volgens een begeleider ter plaatse is nog dat mensen daar leren om met blanken om te gaan. Hoewel dat vaak ook niet op echt gelijkwaardige basis is.

Ik denk dat overschat wordt welke impact je ter plaatse kunt hebben en onderschat in welke mate mensen het voor zichzelf doen, ook door de vrijwilligers zelf. Er is niets mis met 'het vooral voor jezelf doen'. Juist door je daarvan bewust te zijn kun je denk ik ook realistischer aan de slag en nog steeds een schat aan ervaring opdoen.

zondag 7 juni 2009

De omgekeerde staat

De Europese verkiezingen zijn net achter de rug en voor de eerste keer in mijn leven moest ik stemmen met het rode potlood. Voelde wat ouderwets aan moet ik zeggen. Wel apart aangezien zelfs in Congo digitaal wordt gestemd.

Ja, ik meen het. In één van de meeste ontregelde landen van de wereld werd digitaal gestemd in 2006. In 1961 waren de laatste verkiezingen en 45 jaar later vond de VN het zo belangrijk dat hier gestemd werd dat een enorme operatie opgezet werd. Moet je voorstellen: Congo is bijna net zo groot als West-Europa -vijf keer Frankrijk dus- en er wonen 66 miljoen mensen waarvan ongeveer 25 miljoen mogen stemmen. In de jaren zestig was er 30.000 km verharde weg en reden de treinen over 5.000 km spoor. Nu niet meer. Bijna alle spoorrails zijn verwoest in een reeks oorlogen en van de wegen is slechts 3.000 km verhard. Als je ergens wilt komen kun je beter vliegen.

Tim Butcher reist in Bloedrivier langs de Congorivier en schetst een treurig beeld. Volgens hem is Congo één van de weinige landen waar de klok achteruit tikt in plaats van vooruit. Wat ik het meest schokkende vond is hoe elke prikkel tot vooruitgang de kop wordt ingedrukt door de grote instabiliteit. More... Mensen bouwen geen stevige huizen maar hutten, de grond is supervruchtbaar maar vaak wordt alleen cassave verbouwd omdat dit makkelijk en snel eetbaar is. En dit is ook logisch: op veel plekken kan elk moment een rebellengroep langskomen die alles meeneemt van waarde en de rest in de fik zet. Waar deze rebellen voor of tegen vechten is de meeste Congolezen een raadsel. Het enige wat ze weten is dat niks functioneert en je niet op de staat hoeft te rekenen, nou ja, behalve voor bureaucratie dan. Dat is idioot genoeg het enige wat is blijven functioneren. Samen met de enorme corruptie is dat ook al geen succesvolle combinatie.

Het is bijna onvoorstelbaar dat in deze puinhoop nog mensen zijn die de kracht vinden om te overleven. Natuurlijk, er is geen keuze. Mensen die met hun fiets over paadjes honderden kilometers naar een plaats trekken om palmolie te kopen, hun hele fiets volladen en dan weer honderden kilometers teruglopen. Vrijwel zonder eten en zonder bescherming. Als je mazzel hebt kom je niemand tegen, hou je de lading en maak je een paar dollar(!) winst. Als je pech hebt kom je een rebellengroep tegen en is je lading en winst weg.

Daarom vind ik het al moedig dat men in deze puinhoop heeft geprobeerd om eerlijke verkiezingen te organiseren. In een briljante documentaire is te zien hoe men de enorme logistieke operatie in goede banen probeert te leiden. Ik vermoed dat vanwege de corruptie is gekozen voor stemcomputers. Maar als je het ziet: het verslepen van computers, printers, cartridges, digitale camera’s en scanners in een land waar vaker niet dan wel stroom is vraag ik me wel af wie dit bedacht heeft. Daar bovenop wordt er enorm veel misbruik van gemaakt, gaat het natuurlijk allemaal niet zo soepeltjes, moeten tig mensen worden getraind en gaan de computers natuurlijk op cruciale momenten stuk (net als in Nederland maar dan midden in de rimboe). Je vraagt je toch af of er niet iets anders was te verzinnen om de geloofwaardigheid te vergroten. Een laatste complicerende factor is dat men vrijwel onbekend is met verkiezingen. De gemiddelde Congolees was 8 jaar tijdens de vorige verkiezing. En toch, uiteindelijk worden 18 miljoen mensen geregistreerd en is de democratische wil groot. Heel veel mensen doen hun best om te stemmen en de verkiezingen ‘against all odds’ door te laten gaan. En dat is –ongeacht de uitkomsten- al een wonder.

maandag 25 mei 2009

Niets doen als optie

De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor wat mis kan gaan met ontwikkelingssamenwerking. Het laatste boek dat fikse aandacht heeft gekregen is dat van Dambisa Moyo, een Zambiaanse ontwikkelingseconome. Moyo pleit niet voor een hervorming van ontwikkelingshulp, ze pleit voor afschaffing. Ze richt haar pijlen niet op alle hulp maar op de zogenaamde bilaterale hulp, dus de hulp die landen aan landen geven. Jaarlijks bedraagt die zo’n 95 miljard. Niet niks dus.

Volgens Moyo is het beste wat Afrika kan gebeuren dat er een telefoontje komt. En dat wordt gezegd dat over tien jaar –of nog liever vijf- de hulp stopt. More... Door dat telefoontje moeten landen echt in beweging komen. Niet meer afhankelijk van externe hulp maar zelf hun zaakjes voor elkaar maken, of ze nu willen of niet. Voor de armen aan de onderkant van de samenleving maakt het niet uit, stelt ze. Die zien nu toch ook al niets van het geld. En verbeteringen laten maar op zich wachten. Een groot probleem van bilaterale hulp is dat het oneindig is. Er zit geen eindpunt aan en er zijn vaak maar weinig consequenties aan misbruik verbonden. Er zijn dus maar weinig prikkels om echt wat te verbeteren. De cruciale fout van het westen is volgens Moyo hierbij ‘giving something for nothing’. En dit werkt allerlei problemen in de hand, zoals corruptie. Dus is het tijd om –vooral in Afrika- het heft in eigen hand te nemen. Want hulp helpt niet, sterker nog: het is de oorzaak van veel problemen.

Is dit nu allemaal zo? Ik kan het onmogelijk allemaal checken dus daarom maar een analyse op gevoel. Volgens mij klopt er best een deel van Moyo's analyse en de problemen die ze schetst. Maar er zijn ook veel twijfelpunten. Zo schrijft Moyo wel wat erg enthousiast vrijwel alle grote problemen in Afrika toe aan bilaterale hulp : corruptie, gebrekkige economische groei, afbreken van het sociaal kapitaal enz. Ook blijft onduidelijk in welke gevallen hulp nu wel of niet helpt. Ten tweede, lijken haar oplossingen ook nogal eenzijdig gericht op de financieringskant. Het gaat dus niet zozeer om hoe het geld wordt besteed maar vooral om hoe het gat dat valt zonder bilaterale hulp wordt gevuld. Dat is prima, maar wat dat betreft is het misschien een wat eenzijdige focus. Daarnaast zijn er nog tal van andere zaken. Want wat als Afrikaanse landen wel hard hun best doen maar vervolgens de Westerse (landbouw)subsidies blijven zoals ze zijn? Wat als de Chinezen zich terugtrekken? Wat als corrupte leiders dan echt vrij spel hebben? Ik vind het nu al schrikwekkend hoever men in Soedan en Zimbabwe kan gaan zonder echt ingrijpen. En de cynicus in mij vraagt zich af of Westerse en Afrikaanse leiders eigenlijk wel belang hebben bij het afschaffen van die hulp. Het lijkt soms wel of er een ‘silent agreement’ is; als jij niets zegt, dan zeg ik ook niets.

Toch is het goede van dit boek dat ‘geen hulp geven’ of stoppen als serieuze optie wordt verkend. Niets doen is ook een optie en misschien soms wel beter. En er wordt vooral benadrukt dat het tijd is om ‘het zelf doen’, echt onafhankelijk te worden en het heft in eigen handen nemen. Hoe meer dat gebeurd –op een verantwoorde manier tenminste- hoe beter wat mij betreft. En dit boek is toch weer een zetje in die richting.

donderdag 7 mei 2009

Global Village

In mijn vorige post had ik al even kort aandacht voor de ‘particuliere initiatieven’ en toen ook meer wat betreft een aantal negatieve aspecten. Maar natuurlijk zijn er ook heel veel mensen goed bezig. Ik kijk zelf graag naar de serie ‘Aanpakken & Wegwezen’ van Llink. Een serie over wereldverbeteraars die ieder op hun eigen manier proberen om iets aan te pakken. Dat gaat niet zonder slag of stoot en ook de vele dilemma’s komen aan bod. Maar juist dat maakt het boeiend om naar te kijken. Zoals de stichting van Amina, zelf afkomstig uit Rwanda met een heftig verleden waarin ze onder andere op straat heeft geleefd en het grootste gedeelte van haar familie kwijt is geraakt in de genocide. Nu woont ze in Nederland met man Henk en heeft een stichting opgezet voor tienermoeders die -net als zij vroeger- verstoten zijn. Uit de aflevering blijkt dat dit zelfs voor een Rwandese niet makkelijk is maar zeker wel de moeite waard:



Het grote voordeel van dit soort initiatieven is dat het zo direct is. Als je geld geeft aan zo’n stichting weet je bijna precies wie ervan profiteren. En eigenlijk is het wel mooi als zo allerlei verbindingen ontstaan van Noord naar Zuid en weer terug. Zo begint de wereld toch aardig op een global village te lijken.

dinsdag 5 mei 2009

Beggars can’t be choosers?

Wat me opvalt in de hele discussie rond effectiviteit is dat het maar zelden gaat over diegenen waarvoor ‘de hulp’ effectief zou moeten zijn. Ik ken nauwelijks onderzoeken waarin ontvangende organisaties wordt gevraagd wat zij ervan vinden. En de ‘echte’ ontvangers, de mensen waarom het eigenlijk gaat, hoe vaak wordt hen gevraagd wat ze er nu eigenlijk van vinden? Je kunt je natuurlijk afvragen of dat nodig is. Moet men niet gewoon blij zijn met alle hulp? Nee. Want hulp kan ook contraproductief werken of gewoon tekortschieten. Hoe zit het met de kwaliteit? Is het eigenlijk wel wat men op een bepaalde plek nodig heeft? Of zijn er onvoorziene effecten?

Een paradoxale tendens is dat aan de ene kant zelfinitiatief, empowerment en ‘eigenaarschap’ van ontvangers steeds belangrijker wordt gevonden. Aan de andere kant wordt veel ontwikkelingssamenwerking nog vanuit de donorkant –meestal het Westen- gedirigeerd. En dit is geldt (juist) niet alleen voor grote organisaties. Ook bij kleinschalige (particuliere) initiatieven is op dit gebied nog het nodige aan de hand. More...
In een onderzoek naar kleine initiatieven vond Lau Schulpen dat de doelgroep vaak niet goed betrokken wordt bij projecten. Organisaties opereren vaak geïsoleerd en zoeken geen aansluiting bij lokale initiatieven. Daarnaast wordt er vaak slecht geluisterd naar de lokale bevolking en wordt die soms zelfs gewantrouwd. En een deel van de projecten is nauwelijks gericht op duurzaamheid. Of om het anders te zeggen, er wordt nauwelijks nagedacht over hoe anderen de activiteiten over kunnen nemen. Cultuurverschillen spelen hierbij ook een grote rol. Het is vaak best lastig om elkaar te begrijpen. En als je bent gekomen om ‘iets te doen’ en met pijn en moeite alle fondsen bij elkaar hebt geschraapt kan ik me voorstellen dat je niet zomaar alles loslaat. Daarbij moet je ook verantwoording afleggen naar je geldschieters en dan moet er wel wat gebeuren. Maar tegelijkertijd wordt dan wel eens vergeten om wie het nu eigenlijk ging en gaat een dergelijk project een heel eigen leven leiden.

Hoewel de meeste mensen het waarschijnlijk niet toe zullen geven merk ik vaak hoezeer nog gedacht wordt in termen als wij-zij en ‘dingen komen ontwikkelen’. Dat is ook heel verleidelijk. In al mijn dadendrang betrap ik mezelf er ook regelmatig op. Maar tegelijkertijd is voor goede ontwikkelingssamenwerking iets anders veel belangrijker. En dat is luisteren. Luisteren, doorvragen en de dialoog aangaan. En dit zou niet alleen moeten gelden voor de donoren, maar ook voor de ontvangers. Lastig, maar volgens mij broodnodig. Want alleen als je echt naar elkaar luistert kun je elkaar ook echt helpen.

dinsdag 28 april 2009

Inspirerende initiatieven

Je vergeet het soms bijna in al het pessimisme over ontwikkelingssamenwerking maar er gebeuren ook nog steeds hele leuke dingen. Daarom heb ik een lijstje aangelegd met zogenaamde 'inspirerende initiatieven' dat hopelijk nog heel lang gaat worden (suggesties zijn welkom!). En als eerste op dat lijstje twee onconventionele organisaties.

Als eerste: Butterfly Works. Een organisatie die eigenlijk moeilijk te beschrijven is maar die volgens mij zowel in de categorie 'jong & hip' als 'sociaal betrokken' kan vallen. En dat is nu juist het leuke. Zoals ze zelf zeggen: "It invents, designs, and implements social events and so connecting people, businesses and organisations by building a positive chain of events. Butterfly Works initiates projects and provides sustainable answers to international social issues." Projecten waar ze aan meewerken zijn onder andere Return to Sender en e-learning projecten. Wat me vooral aanspreekt is de positieve, vaak onconventionele, insteek, de nadruk op inspiratie en creativiteit. En het lijkt me zo leuk, wie wil nou niet meewerken aan 'building a positive chain of events'?

Een ander inspirerend initiatief is de Stedenband Haarlem-Mutare. More... Al ruim 15 jaar bestaat er een stedenband tussen het Noord-Hollandse Haarlem en Mutare in Zimbabwe. Nu zijn er natuurlijk veel meer steden met een stedenband so what's new? Wat hier volgens mij nieuw aan is, is vooral de invulling van die stedenband. Een belangrijk principe is namelijk wederkerigheid. Men gaat niet alleen naar Zimbabwe om ergens bij te helpen maar ook om wat te leren (halen). Afgelopen zaterdag deed ik mee aan een workshop over wederkerigheid die (onder meer) werd georganiseerd door de Stedenband. En ik realiseerde me hoezeer we nog gericht zijn op het helpen, komen brengen van onze kennis etc. Terwijl er ook een wereld te halen valt. En dan niet in de zin van leegroven, maar in de zin van leren van elkaar. Dit vereist gelijkwaardig contact en dat is niet altijd makkelijk. Maar juist dat ze dat bij de Stedenband zo serieus aanpakken is bewonderenswaardig.

En over wederkerigheid en gelijkwaardigheid valt nog heel wat te schrijven. Bij mij vielen er zaterdag heel wat kwartjes. Ik geloof dat ik bij de kern begin te komen van mij nou zo boeit -en irriteert- in ontwikkelingssamenwerking. Dus wordt weer vervolgd...

woensdag 1 april 2009

De BN’er als boegbeeld

Een beetje BN’er is tegenwoordig ambassadeur van één of andere stichting. Marco Borsato is natuurlijk het bekendste voorbeeld maar legio BN’ers zetten zich in voor het goede doel. Natasja Froger is ambassadeur voor Orange Babies, Ali B voor Plan Nederland en Yolanthe tegen kindermishandeling. Volgens mij doet Mathijs van Nieuwkerk als een van de weinigen helemaal niets in de ambassadesfeer.

Of dit nu goed is of niet is al een tijdje onderwerp van discussie. Zelf krijg ik een beetje jeuk als Bono zich weer ergens mee bemoeit. Aan de andere kant snap ik ook wel dat Warchild waarschijnlijk een stuk minder bekend was geweest bij het grote publiek zonder meneer Borsato en dat misgun ik ze ook niet. Volgens het boek ‘Hoe word ik vrijwilliger in het buitenland?’ is de inzet van ambassadeurs voor goede doelen vaak een win-winsituatie. Gratis publiciteit voor de organisatie en een goed imago voor de BN’er. Maar hoe goed bedoeld ook, het probleem van dit soort activiteiten is dat het snel een hoog ‘kinderhoofdjes aaien’ gehalte kan krijgen. En dat is in ieder geval voor mijn serieuze aandacht voor een onderwerp vrij funest. More...
Linda Polman betoogde een tijdje geleden al dat het zogenaamde ‘beroemdheidsactivisme’ meer kwaad dan goed kan doen. “Slechts weinig vips hebben gestudeerd voor de oplossingen die ze suggereren te hebben. Met hetzelfde gemak waarmee ze suggereren dat we dat ene kleine weeskindje kunnen redden als we maar een euro storten, beweren ze dat hun goed doel armoede helpt halveren en oorlogskinderen van hun trauma’s verlost." En hulporganisaties zijn zich hier ook vast van bewust. Maar wat doe je in de strijd om aandacht als iedereen een BN’er inzet en de televisieploeg alleen nog mee wil als Marco ook gaat?

Maar anderzijds, hoe zinnig zijn dat soort publiciteitsreisjes? Klaske Tameling (journaliste) ging eens mee op zo’n reis en hoewel de omstandigheden in Kenia grote indruk maakten bleef ze vooral zitten met een vervelend gevoel. Alle clichés over armoede en relativering zijn waar maar wat leveren de beelden die ze komen halen nu op? Wat vooral niet hielp was dat de organisatie die de reis financierde Klaske op de vingers tikte toen ze haar woede en onmacht op haar weblog ventileerde: of ze alsjeblieft ook positieve dingen wilde schrijven. Klaske is vervolgens behoorlijk afgehaakt en heeft haar hoop nu maar gevestigd op ontwikkelingswerk zonder bekende Nederlanders. Misschien dat dit de volgende onderscheidende factor is: wij doen het zonder ambassadeurs!

Maar er zijn ook goede voorbeelden. Zo heeft Katja Schuurman bijvoorbeeld de stichting Return to Sender opgericht. Een stichting die lokale producten voor een eerlijke prijs koopt en deze vervolgens via de Hema verkoopt. De winst tussen de prijs aan de producenten en de Hemaprijs wordt vervolgens geïnvesteerd in projecten als crèches voor werkende moeders of train-de-trainer programma’s op het gebied van management en productinnovatie. Het slimme is dat ze echt goede, hippe producten uitzoeken en die vervolgens bij één van de grootste warenhuizen verkopen. En daarnaast een televisieserie hebben gemaakt waarin te zien is hoe de producten worden gemaakt en waar het geld in geïnvesteerd wordt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het storm loopt. Katja zelf is inhoudelijk betrokken maar daarnaast wordt vooral gebruik gemaakt expertise van organisaties als Butterfly Works, Achmea en Hema.

Al met al denk ik dat er in ieder geval één cruciale factor is: het moet wel echt zijn. Niet alleen positieve verhalen maar ook aandacht voor de schaduwzijden, nadelen en kritische aspecten van het werk van een organisatie. En zeg het als BN'er gewoon dat je iets niet weet en laat dit dan aan de professionals van betreffende organisatie over. Juist dit soort transparantie, mits goed gebracht, waardeer ik een stuk meer dan een 'goed-nieuws-show'. Zo, en nu eerst naar de Hema...

woensdag 11 maart 2009

The genie in me

De laatste tijd ben ik echt een fan geworden van de TED website. En hoewel deze lezing een beetje afwijkt van het onderwerp kan ik het toch niet laten om 'm even hier neer te zetten. Een prachtige lezing van Elizabeth Gilbert (die van dat mooie boek) over creatieve processen. Het gaat dan vooral over schrijvers en kunstenaars maar nu ik net weer een week heb geploeterd met mijn artikel is dit wel een hart onder de riem. Ik kan schrijven geweldig vinden maar ook echt vreselijk. Veel schrijfklussen, vooral als dat buiten mijn werk is (want dan moet het gewoon), gaan in de trant van: uren of dagen klooien, worstelen, schrijf-ontwijkend-gedrag etc. totdat ik -meestal op het laatste moment- ineens de geest krijg. Dan kom je in zo'n flow en produceer je in een dag ofzo meer dan in die hele week daarvoor. Soms heb je ook weleens dat soort weken maar die zijn helaas wat zeldzamer.

Maar over die 'geest' gaat dus Gilberts lezing. Ze heeft net een enorme beststeller geschreven; Eat, pray, love. Maar ja, er is ook nog een leven daarna en wat ga je dan als schrijver doen met de rest van je leven? De kans is namelijk groot dat je grootste succes net achter je ligt. Om om te kunnen gaan met die druk grijpt Gilbert terug op een oud idee. Dat idee is dat mensen niet een genie 'zijn' maar een genie 'hebben'. Het grote voordeel van deze visie is dat misschien niet alle lof aan iemand toekomt (want de geest of flow of wat dan ook) hielp je, maar ook niet alle verantwoordelijkheid. Het ligt dus niet allemaal aan mij, die geest moet ook een beetje zijn best doen...

woensdag 25 februari 2009

Hulp bij de handel

Een regelmatig terugkerende discussie is of ontwikkelingslanden nu beter worden van meer hulp of van meer handel. Het genuanceerde antwoord is waarschijnlijk: beide is nodig, ligt eraan hoe je het doet, waar hebben we het eigenlijk over, etcetera. Aangezien veel markten in ontwikkelingslanden bij lange na niet functioneren zoals door de economen ooit is bedacht is hulp bij de handel in ieder geval een vruchtbaar idee. Jacqueline Novogratz laat zien hoe belangrijk goede ‘business models’ zijn om armoede de wereld uit te helpen.



Volgens haar is de enige manier om echt een einde aan armoede te maken duurzame systemen. Duurzaam omdat ze cruciale en betaalbare goederen en diensten leveren aan de armen op een manier die niet alleen financieel haalbaar is maar ook “opschaalbaar”. Dit soort systemen werken via de markt en kunnen erg nuttig zijn bij het verminderen van armoede. Overheden zijn immers in veel landen niet de meest effectieve of betrouwbare partner voor dit soort zaken. More...
Toch heeft het werken via de markt een aantal flinke haken en ogen. Er zijn natuurlijk diensten waarvan je je af kunt vragen of die wel door bedrijven en niet door de overheid moeten worden geregeld, bijvoorbeeld gezondheidszorg of onderwijs. Ook in onze westerse wereld zijn de ervaringen hiermee niet onverdeeld positief. Maar het is natuurlijk ook weer de vraag wat je gaat doen als de overheid het niet levert en ook niet aanspreekbaar is op het ontbreken daarvan.

Novogratz heeft in die zin gelijk met haar nadruk op duurzaam, financieel haalbaar en opschaalbaar. Hoewel dit niet wil zeggen dat dit makkelijk is. Een goede oplossing op microniveau is geweldig, maar nog beter is het als deze oplossing opgeschaald kan worden zodat veel meer mensen hiervan gebruik kunnen maken. Een van de succesvolste recente voorbeelden hiervan is de Grameen Bank. Punt bij veel microfinancieringsbanken is wel dat ze vaak niet financieel onafhankelijk zijn. Zodra de donors wegvallen of inkomsten fluctueren ontstaan problemen. Anderzijds betekent financiële onafhankelijkheid ook vaak dat de echte armen de diensten niet meer kunnen betalen.

En ook het opschalen is niet zonder problemen. Eén van de moeilijkste dingen van innovaties is deze duurzaam te maken en op te schalen. Dit geldt niet alleen in ontwikkelingssamenwerking maar ook in –bijvoorbeeld- het Nederlandse onderwijs. Keer op keer blijkt dat het opzetten en succesvol uitvoeren van een nieuw idee lastig is. Maar nog lastiger is om dit dan op grotere schaal succesvol door te voeren.

Novogratz betoogt dat ‘de armen’ veelal niet zitten te wachten op liefdadigheid. Ze maken slimme (markt)keuzes als ze daarvoor de kans krijgen. Een mooi voorbeeld dat ze geeft is hoe vrouwen via een soort Tupperwareparty-concept malarianetten verkopen. Het verkooppraatje blijkt pas in laatste instantie te gaan over dat het ziekte en doden voorkomt. In plaats daarvan wordt vooral benadrukt hoe comfortabel zo’n net is, hoe het je huis vrijhoudt van insecten en dat het ook goed voor je status is als anderen zien hoe goed je op je kinderen past. Omdat de vertegenwoordigsters de netten graag willen verkopen zullen ze op zoek gaan naar het meest effectieve verkoopmodel. En als de beste manier om malarianetten te verkopen het refereren aan status is, dan doen ze dat. Dit levert dus interessante, onverwachte uitkomsten op en een win-win situatie. Er wordt betaald voor de netten, dus heeft de fabriek de kans om financieel onafhankelijk te worden. De vertegenwoordigster verdient geld met de verkoop en is hierin effectief omdat ze afhankelijk is van haar verkopen. En het uiteindelijke doel wordt bereikt: meer malarianetten in gebruik.

Het blijft natuurlijk altijd de vraag wat via de markt moet of kan en wat via de overheid of andere kanalen. Maar dit soort voorbeelden zijn zeker inspirerend.